Drie grootheden uit elkaar houden
Een mol geeft een aantal deeltjes aan: ongeveer 6,022 × 10²³. Benoem welk deeltje je bedoelt, bijvoorbeeld watermoleculen of natriumionen. Dezelfde hoeveelheid mol van verschillende stoffen hoeft niet dezelfde massa te hebben.
| Grootheid | Symbool | Eenheid |
|---|---|---|
| Massa | m | g |
| Hoeveelheid stof | n | mol |
| Molaire massa | M | g/mol |
Molaire massa uit een formule
Werk het stap voor stap uit
Bereken M(H₂O) met H = 1,0 en O = 16,0 g/mol voor deze oefening.
- H₂O bevat twee H-atomen en één O-atoom.
- Tel de bijdragen: 2 × 1,0 + 1 × 16,0.
- De eenheid van de uitkomst is g/mol.
M(H₂O) = 18,0 g/mol met de gegeven afgeronde waarden.
Gebruik op een toets de atoommassa’s en afrondingsafspraken die bij de opgave of je informatieboek horen.
Het getal rechtsonder telt mee
Bij CO₂ tel je één C en twee O. Met C = 12,0 en O = 16,0 g/mol volgt M(CO₂) = 12,0 + 2 × 16,0 = 44,0 g/mol. Een coëfficiënt vóór de formule verandert de molaire massa van de stof niet: 2 CO₂ betekent twee keer zoveel deeltjes, geen ander molecuul.
Test jezelf
Vraag 1 van 3