← Zuren, basen en pH

Uitleg, voorbeelden en zelf oefenen

Zuur en carbonaat: koolstofdioxide, water en een zout

Een carbonaat reageert met een zuur onder vorming van koolstofdioxide en water. De overige ionen kunnen samen een zout vormen of in oplossing blijven. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom calciumcarbonaat met verdund zoutzuur gas vormt.

Volg het carbonaation

CO₃²⁻ + 2 H⁺ → CO₂ + H₂O

In het verkorte ionenschema neemt CO₃²⁻ twee protonen op. Het ontstane koolzuur gaat over in CO₂ en water. De totale lading en alle atoomaantallen blijven behouden.

Calciumcarbonaat en zoutzuur

Het volledige schema is CaCO₃ + 2 HCl → CaCl₂ + CO₂ + H₂O. Onder deze omstandigheden is het gevormde gas CO₂, niet H₂. Calciumcarbonaat is een zout en geen stuk calciummetaal.

Werk het stap voor stap uit

0,15 mol CaCO₃ reageert volledig met voldoende HCl. Hoeveel mol CO₂ ontstaat?

  1. Lees CaCO₃ : CO₂ = 1 : 1.
  2. Voldoende zuur betekent dat het carbonaat volledig kan reageren.
  3. 0,15 × 1 = 0,15.

0,15 mol CO₂.

Carbonaat en waterstofcarbonaat niet verwisselen

Waterstofcarbonaat HCO₃⁻ reageert met één proton: HCO₃⁻ + H⁺ → CO₂ + H₂O. Carbonaat CO₃²⁻ vraagt in dit schema twee protonen. Hun formules en ladingen verschillen.

Gasvorming alleen vertelt niet welk gas ontstaat. Gebruik de beginstoffen en reactievergelijking. Experimentele gasidentificatie hoort bij een passend begeleid practicum.

Test jezelf

Vraag 1 van 3

Welk gas vormt CaCO₃ met verdund HCl?