Stap voor stap
- Bepaal of er een zuur en een carbonaat aanwezig zijn.
- Let op gasvorming als waarneming.
- Noem koolstofdioxide als product en verbind de overige ionen met het zout.
Wanneer zuren reageren met carbonaten, ontstaan er een zout, koolstofdioxidegas en water. Dit is een veelvoorkomende reactie in de scheikunde en heeft praktische toepassingen in het dagelijks leven.
De algemene reactievergelijking is:
Carbonaat + Zuur → Zout + Koolstofdioxide + Water
Bijvoorbeeld: wanneer zinkcarbonaat (ZnCO₃) reageert met zoutzuur (HCl), ontstaat zinkchloride (ZnCl₂), koolstofdioxide (CO₂) en water (H₂O):
ZnCO₃ + 2HCl → ZnCl₂ + CO₂ + H₂O

De afbeelding laat de algemene reactie zien van een carbonaat met een zuur. Je ziet het vrijkomen van koolstofdioxide in de vorm van gasbelletjes, samen met de vorming van water en een zout (zoals zinkchloride). Deze reactie wordt vaak gebruikt om carbonaten aan te tonen.
Bij deze reactie kun je het volgende waarnemen:
De reactie tussen zuren en carbonaten wordt in veel situaties gebruikt:
Het vrijgekomen koolstofdioxidegas kan eenvoudig getest worden met kalkwater (calciumhydroxide-oplossing). Als CO₂ door kalkwater wordt gebubbeld, wordt het troebel. Dit bevestigt de aanwezigheid van koolstofdioxide.
Extra uitleg
Carbonaten reageren met zuren vaak onder vorming van koolstofdioxide. Gasbelletjes zijn dan een belangrijke waarneming, maar je moet ook kunnen uitleggen welk gas ontstaat.
Azijn reageert met kalk waarbij koolstofdioxide kan ontstaan. Dat verklaart het bruisen bij het ontkalken.