Stap voor stap
- Onderstreep in de opgave de stoffen die aanwezig zijn voor de reactie.
- Zoek woorden zoals ontstaat, vormt, reageert met of wordt omgezet in.
- Schrijf daarna een woordvergelijking voordat je met formules begint.
Een chemische reactie gaat altijd over verandering. De stoffen waarmee je begint heten reagentia. De nieuwe stoffen die ontstaan heten producten. Dit onderscheid helpt ons goed te begrijpen wat er tijdens een reactie gebeurt.
Reagentia zijn de beginstoffen van een reactie. Ze botsen of reageren met elkaar, waarbij oude bindingen worden verbroken en nieuwe worden gevormd. Bijvoorbeeld:

Producten zijn de nieuwe stoffen die bij een reactie ontstaan. Bijvoorbeeld:
Bij deze reactie worden de reagentia (natrium en chloor) omgezet en herschikt tot een heel nieuwe stof: natriumchloride.
Chemische vergelijkingen laten zien hoe een reactie verloopt. Bijvoorbeeld:
2Na + Cl₂ → 2NaCl
Dit betekent dat twee natrium-atomen (Na) reageren met één chloormolecuul (Cl₂) en samen twee eenheden natriumchloride (NaCl) vormen.
Extra uitleg
Reactanten staan links van de reactiepijl en producten rechts. Dat lijkt simpel, maar in contextvragen moet je vaak eerst uit de tekst halen welke stoffen echt reageren.
Natrium reageert met chloor tot natriumchloride. Natrium en chloor zijn reactanten; natriumchloride is het product.