← Overzicht VWOStap 3 van 3

Ondermaat en overmaat

Syllabus VWO: Grootheden en relaties

Vraag 1 / 50 goed

1 mol N₂ en 3 mol H₂ reageren volledig. Wat blijft over?

Kies je antwoord
Meer uitleg en een uitgewerkt voorbeeld

Vergelijk eerlijke hoeveelheden

Voor N₂ + 3 H₂ → 2 NH₃ is drie keer zoveel H₂ als N₂ nodig, gemeten in mol. Deel de beschikbare mol van elke beginstof door de eigen coëfficiënt. De kleinste uitkomst bepaalt hoeveel reactierondes mogelijk zijn.

Gebruik alleen wat reageert

Vermenigvuldig de reactieruimte met elke coëfficiënt. Trek de gebruikte hoeveelheid van de beschikbare hoeveelheid af. We nemen hier volledige omzetting van de beperkende stof aan; een evenwicht wordt niet gemodelleerd.

Er is 1,00 mol N₂ en 2,40 mol H₂ beschikbaar.

  1. Vergelijk 1,00 / 1 = 1,00 met 2,40 / 3 = 0,800.
  2. H₂ begrenst de reactie. Er ontstaat 2 × 0,800 = 1,60 mol NH₃.
Er blijft 1,00 − 0,800 = 0,20 mol N₂ over.
Bronnen bij dit onderwerp