Vorm en volume vergelijken
Een vaste stof houdt meestal zijn eigen vorm. Een vloeistof neemt de vorm van het onderste deel van een vat aan. Een gas verspreidt zich door de beschikbare ruimte.
| Toestand | Eigen vorm? | Ongeveer vast volume? | Deeltjes |
|---|---|---|---|
| Vast (s) | Ja | Ja | Dicht bij elkaar, trillen |
| Vloeibaar (l) | Nee | Ja | Dicht bij elkaar, bewegen langs elkaar |
| Gas (g) | Nee | Nee | Ver uit elkaar, bewegen vrij |
Temperatuur én druk bepalen de toestand
Bij ongeveer 1 atmosfeer kookt zuiver water rond 100 °C. Op een berg kan het bij een lagere temperatuur koken doordat de luchtdruk lager is. Noem bij een kookpunt daarom ook de omstandigheden.
De toestand hoort bij een stof onder bepaalde omstandigheden; het is geen blijvende eigenschap van de naam van die stof. Bij een faseovergang worden geen nieuwe moleculen gevormd.
Een toestand herkennen in een opgave
Een poeder kan als geheel uit een pot worden geschonken, maar elk korreltje is vast. Kijk dus naar de stofdeeltjes of korrels, niet alleen naar het gedrag van een verzameling.
Werk het stap voor stap uit
Een afgesloten vat bevat een stof die het hele vat vult en makkelijk samengedrukt kan worden. Welke toestand past hierbij?
- Het hele vat vullen past bij een gas.
- Makkelijk samendrukken betekent veel ruimte tussen de deeltjes.
- Beide aanwijzingen wijzen dezelfde kant op.
De stof is gasvormig.
Test jezelf
Vraag 1 van 3