Stap voor stap
- Bepaal welke toestand voor en na de overgang aanwezig is.
- Kijk of de stof energie opneemt of afstaat.
- Gebruik de juiste naam: smelten, stollen, verdampen, condenseren, sublimeren of rijpen.
Faseovergangen gebeuren wanneer een stof van toestand verandert door opname of afgifte van energie. Dit zie je overal in de natuur en techniek, zoals bij koken, het weer en koelkasten.
Een vaste stof neemt warmte op en verandert in een vloeistof. Bijvoorbeeld: ijs smelt tot water bij 0°C.
Een vloeistof verliest warmte en wordt vast. Water bevriest tot ijs bij 0°C.
Een vloeistof krijgt genoeg energie om gas te worden. Water kookt en wordt stoom bij 100°C.
Een gas verliest energie en wordt vloeistof, zoals waterdamp die condenseert tot dauw.
Een vaste stof verandert direct in gas, zonder vloeibaar te worden. Voorbeeld: droogijs (CO₂).
Een gas verandert direct in een vaste stof. Voorbeeld: rijpvorming op een koud raam.

Faseovergangen spelen een grote rol in het dagelijks leven en de wetenschap, van de waterkringloop tot koelsystemen. Zonder faseovergangen zouden veel natuurlijke en technische processen niet mogelijk zijn.
Extra uitleg
Een faseovergang vertelt wat er met energie en deeltjesbeweging gebeurt. De stof blijft hetzelfde, maar de toestand verandert.
IJs dat smelt neemt energie op. De watermoleculen blijven H2O, maar ze gaan vrijer bewegen.