Stap voor stap
- Bepaal eerst hoeveel protonen het atoom heeft.
- Gebruik de lading om te bepalen hoeveel elektronen aanwezig zijn.
- Koppel elektronen in de buitenste schil aan reactiviteit en bindingen.
Elektronen zijn heel kleine deeltjes met een negatieve lading. Ze bewegen rond de kern van een atoom. Protonen en neutronen zitten in de kern, maar elektronen vind je in speciale lagen rond de kern. Deze lagen noemen we elektronenschillen of energieniveaus.
Elektronen zitten in lagen (schillen) rond de kern. Elke schil kan maar een bepaald aantal elektronen bevatten:

Elektronen vullen altijd eerst de schil die het dichtst bij de kern ligt. Hoe dichter bij de kern, hoe lager de energie. Elektronen verder weg hebben meer energie.
Elektronen bewegen razendsnel in hun schillen. Ze volgen geen vaste baan zoals een planeet, maar bewegen in gebieden waar ze meestal te vinden zijn. Zo’n gebied noemen we een elektronenwolk.
De elektronen in de buitenste schil heten valentie-elektronen. Deze zijn extra belangrijk, want zij bepalen hoe een atoom verbindingen maakt met andere atomen. Zonder valentie-elektronen zouden er geen moleculen of stoffen kunnen ontstaan!
Extra uitleg
Elektronen zijn licht, negatief geladen en zitten rond de kern. Juist daardoor zijn ze belangrijk voor lading, ionvorming en chemische bindingen.
Natrium kan een elektron afstaan en wordt dan Na+. Het aantal protonen blijft 11, maar het aantal elektronen is dan 10.