Stap voor stap
- Plaats protonen en neutronen in de kern.
- Plaats elektronen rond de kern en koppel ze aan negatieve lading.
- Gebruik protonen voor identiteit, neutronen voor isotopen en elektronen voor ionlading.
Atomen bestaan uit nog kleinere deeltjes. Deze noemen we subatomaire deeltjes. De drie belangrijkste zijn: protonen, neutronen en elektronen. Samen zorgen ze dat alles in de wereld bestaat!
Protonen zitten in het midden van een atoom, in de kern. Ze hebben een positieve lading (+) en helpen het atoom bij elkaar te houden. Het aantal protonen bepaalt welk element een atoom is. Bijvoorbeeld: waterstof heeft 1 proton, koolstof heeft 6 protonen.

Neutronen zitten ook in de kern, naast de protonen. Ze hebben geen lading, ze zijn neutraal. Neutronen zorgen dat de kern stabiel blijft, want protonen stoten elkaar af doordat ze dezelfde lading hebben. Neutronen houden dit in balans.

Elektronen zijn veel kleiner dan protonen en neutronen. Ze hebben een negatieve lading (-) en bewegen rond de kern in schillen of elektronenwolken. Elektronen zijn heel belangrijk, want ze bepalen hoe atomen met elkaar samenwerken.

In het 3D-model hierboven zie je elektronen die rond de kern bewegen, terwijl protonen en neutronen in het midden blijven. Zo kun je goed zien hoe de onderdelen van een atoom zijn opgebouwd!
Extra uitleg
Protonen, neutronen en elektronen hebben elk een eigen plek en functie. Als je die drie goed uit elkaar houdt, worden lading, massa en atoomnummer veel eenvoudiger.
Een heliumatoom heeft 2 protonen in de kern. Met 2 elektronen is het neutraal; met minder of meer elektronen zou de lading veranderen.