Stap voor stap
- Zoek het aantal protonen in de kern.
- Koppel dat aantal aan het atoomnummer in het periodiek systeem.
- Controleer bij isotopen en ionen dat het aantal protonen gelijk blijft.
Elk element heeft een eigen identiteit. Die identiteit wordt bepaald door het aantal protonen in de kern. Dit aantal protonen noemen we het atoomnummer. Elk element in het periodiek systeem heeft een ander atoomnummer, en dat maakt het uniek.
Het atoomnummer is simpelweg het aantal protonen in de kern van een atoom. Voorbeelden:

Omdat het atoomnummer uniek is voor elk element, werkt het als een soort “vingerafdruk”. Verander je het aantal protonen, dan verander je het element zelf. Bijvoorbeeld: voeg één proton toe aan koolstof (6 protonen) en het wordt stikstof (7 protonen).
Protonen bepalen niet alleen welk element het is, maar hebben ook invloed op hoe het element zich gedraagt. Ze trekken de negatieve elektronen aan en zorgen ervoor dat het atoom bij elkaar blijft. Het aantal protonen beïnvloedt dus ook de eigenschappen van een element.
Samengevat: het aantal protonen in de kern bepaalt de identiteit van een element. Het atoomnummer = het aantal protonen, en dat getal is uniek voor elk element.
Extra uitleg
Het aantal protonen is het ankerpunt van een element. Neutronen en elektronen kunnen verschillen, maar als het aantal protonen verandert, heb je een ander element.
Alle koolstofatomen hebben 6 protonen. Koolstof-12 en koolstof-14 verschillen in neutronen, maar blijven allebei koolstof.